Geschiedenis
Het Nupke is het Brabants voor nopje, knoopje of bultje.
Het stukje grond waar de molen in 1843 op is gebouwd, had een natuurlijke
verhoging in het landschap, waarom de bewoners misschien al eeuwen terug die
plek zo noemden. Nadat rond het midden van de vorige eeuw alle lapjes grond in
kaart werden gebracht door het kadaster, kregen alle stukken grond een nummer
en indien bekend ook de natuurlijk ontstane naam. De molen zelf heeft echter nooit
een naam gehad, totdat de eerste vrijwillig molenaar Wim Vlemmix het in de jaren 1970
een aardig idee vond de molen zelf die naam te geven.
De bouwer/eigenaar/molenaar van deze Geldropse belt-korenmolen op een perceel,
genaamd "het Nupke", was de uit het Belgische Overpelt afkomstige Anthonij Sevens.
Uit de schaarse archiefstukken is bekend dat deze molenaar in compagnie met
molenaar Dirk Verbeek uit Heeze waarschijnlijk al vóór 1814 de watermolen op
de Kleine Dommel in Geldrop en de windmolen in Zesgehuchten bemaalde.
Dirk Verbeek was de pachter van voornoemde molens en Anthonij Sevens was bij hem
in dienst als molenaar en beiden - om wat voor reden dan ook -
kregen onenigheid met elkaar.
Sevens verbrak eind 1841 de samenwerking om in Geldrop een eigen wind-graan-
en oliemolen te bouwen, waartoe hij op 18 december van dat jaar aan
Z.M. Koning Willem II vergunning vroeg. Het gemeentebestuur van Geldrop liet reeds
vijf dagen later (!) aan de Commissaris van de Koning weten dat er geen
bedenkingen tegen het plan bestonden.
Toen de molen in 1843 verrezen was, verkreeg Sevens ingevolge de wet van
28 maart 1828 op zijn verzoek vrijdom van grondbelasting voor acht
achtereenvolgende jaren. Hij heeft ze niet kunnen volmaken, want in 1849 reeds
overleed de toen zestigjarige mulder.
De erven Sevens zetten de zaak voort en staan dan in het patentregister
beschreven als "windkorenmolenaar, boekweitmolenaar, moutmolenaar, olieslager
en garstpeller" en in 1849 volgt zijn 28-jarige zoon Anthonius hem op als
molenaar.
Daarna meldt zich weer de familie Verbeek in de persoon van de uit Heeze afkomstige
Theodorus Verbeek, een rasechte molenaarszoon, die in 1870 op 38-jarige leeftijd
de molen aankoopt. De mulder vestigt zich met zijn vrouw - Christina Dupuis,
dochter van de huisarts Dupuis uit Heeze - en zijn twee kinderen vanuit Stiphout
in Geldrop. De perceelsaanduiding gewaagt in 1873 van de Kiezelweg en de mulder
staat in het laatste patentregister beschreven als "windkorenmolenaar,
binnenlands koopman in het klein, moutmolenaar, bij afwisseling olieslager".
Als Theodorus Verbeek zich tenslotte uit de zaken terugtrekt, zetten zijn zoons
het molenbedrijf voort, tot in 1920 de derde eigenaar op de molen komt:
de dan 26-jarige Paulus Joseph Rooymans, die zich al een jaar eerder vanuit
Eersel in Geldrop vestigde. Als zijn beroep wordt vermeld: "molenaar, reiziger
en herbergier".
Hij trouwt in Geldrop op 15 juni 1920 met de 22-jarige
Wilhelmina Smeets uit Valkenswaard, die in de komende twaalf jaar ten minste
acht kinderen ter wereld zal brengen. De in de kadastrale legger als
graanoliemolen aan de Kiezelweg aangeduide windmolen zal dertien jaar in
Rooymans bezit blijven; hij verkoopt deze in 1933 aan molenaar Obbing.
Molenaar Johannes Bernardus Obbing werd geboren op 30 juli 1896 in Wehl.
Zijn ouders waren Antonius Obbing en Lamerdina Schenning. Hij was getrouwd
met Helena Cornelia Middegaal op 29 november 1928, dochter van Hendrikus Middegaal
en Christina Santegoeds.
In 1932 komt Obbing met vrouw en kind vanuit Waalre in Geldrop wonen en vestigt
zich na aankoop van de molen in het molenhuis aan de Laarstraat. Uit dit
huwelijk werden drie kinderen geboren: twee dochters en een zoon. Bij de
bevrijding van Geldrop in 1944 wordt de elfjarige enige zoon Antonius door
een militair voertuig overreden.
Molenaar Obbing bleef tot aan zijn dood in 1967 zijn beroep uitoefenen.
Zijn vrouw was in 1963 overleden, waardoor de molen in eigendom overging
naar de twee dochters: Hendrika en Johanna Obbing.
Omdat de dochters niet het beroep van molenaar uitoefenden, stond de molen
de volgende tien jaar buiten werking, wat leidde tot groot verval. Wel werd
de molen in 1968 op de rijksmonumenten-lijst geplaatst.
De gemeente Geldrop, die zich in 1949 al verbonden had om mulder Obbing niet in de
uitoefening van zijn beroep te belemmeren en daarom aan de nieuwe weg,
de Molenakker, een open bebouwing voorschreef, liet notarieel vastleggen
dat zij bij eventuele verkoop van de molen recht van voorkeur had.
In 1978 kon de gemeente Geldrop - na veel vijven en zessen - het koopcontract
ondertekenen en werd - met grote inzet van molenbouwer Adriaens en de
gemeente - aan een algehele 200.000 gulden kostende restauratie begonnen die een jaar
in beslag zou nemen. Hiermee heeft Geldrop een volwaardige in goede staat
zijnde molen op zijn grond weten te behouden; niet meer om het broodnodige
graan te malen, maar wel als een levend monument, zichtbare cultuur uit een nabij
verleden, tot 'Leringhe en de vermaeck' voor ieder die erin is geïnteresseerd.
Op 10 mei 1980 (Nationale Molendag) werd de molen officieel weer in gebruik
genomen. Wim Vlemmix werd vrijwillig molenaar en bemaalde tot januari 1989
de molen, toen hij zijn werkzaamheden op de molen overdroeg aan de huidige
vrijwillig molenaar, Hans Tielemans. In 1994 kwam er nog een vrijwillig molenaar
bij, Frans Tullemans.